top of page
Search

Lize Spit en British Romanticism: een Vergelijking van hun Schrijfprocessen

  • liammagin133
  • 1 day ago
  • 5 min read

Twee jaar geleden verscheen Lize Spits Autobiografie van Mijn Lichaam. Na het succes van Het Smelt werd de in Brussel woonachtige auteur een echte literaire superster dankzij haar 250 000 verkochte exemplaren[1]. Haar razendsnel groeiende populariteit werd in december 2025 zelfs bekroond met een eredoctoraat van de VUB. Hoewel Autobiografie van mijn Lichaam complexe en omvangrijke thema’s zoals iemands relatie met zijn/haar lichaam of kind-ouderrelaties behandelt, besteedt het artikel van vandaag aandacht aan haar schrijfproces. Opmerkelijk genoeg bespreekt ze in haar werk “hoe schrijven werkt” (Spit 349). Ik bespreek haar uitleg uit een neoromantische invalshoek en leg bloot hoe haar ideeën overeenkomen met die van de Romantieke schrijvers William Wordsworth en P.B. Shelley.



Om te beginnen is het belangrijk om zowel Autobiografie van Mijn Lichaam als Wordsworth en Shelley te introduceren. Het boek gaat over de laatste maanden van Spits’ moeder, die met kanker worstelt. Vooral staan het verdriet en de verwarring van de ik-verteller centraal en het werk bevat drie verschillende tijdlijnen. Het omgaan met haar moeders ziekte, flashbacks van toen Lize een kind was en dagboekpassages van haar vroege jeugd. Door het boek heen bespreekt de auteur ook haar relatie met haar moeder, vrienden en lichaam. Deze drie motieven staan centraal in de thematische ontwikkeling van het boek.


Nu bespreek ik de twee romantici die ons vandaag interesseren. William Wordsworth (1770-1850) is een Engelse dichter geboren in de Lake District. Zijn poëzie is bekend voor The Prelude en Lyrical Ballads (in samenwerking met S.T. Coleridge). Door de prominente plaats van natuur in zijn oeuvre wordt Wordsworth soms beschouwd als een proto-environmentalist die hedendaags ecologische bewegingen anticipeert. Een voorbeeld daarvan is zijn gedicht “The Tables Turned” waarin hij zijn lezers aanmoedigt tot het ervaren van de echte wereld: “Let Nature be your teacher.” (16) Een andere Romanticus is P.B. Shelley (1792-1822) die beroemd is om zijn (voor de negentiende eeuw) radicale ideeën en zijn atheïsme. Hij schreef onder andere “MontBlanc” of de onafgewerkte maar invloedrijke “A Defence of Poetry” waarin hij pleit voor het beschermen van poëzie en kunst.


Zowel voor Lize Spit als voor William Wordsworth is schrijven paradoxaal genoeg verslavend én bevrijdend. Beide schrijvers schrijven omdat het “onvermijdelijk” is (Spit 349). In haar boek benadrukt Spit dat schrijven voor haar een soort verslaving is. In de latere momenten van het verhaal vergelijkt ze het schrijven met het “coping mechanism” van haar moeder (Spit 349) die aan de drank is: het is “allesoverheersend” (Spit 349). Schrijven is voor haar wat drinken is voor een alcoholist: men kan zich er “tegen” verzetten, maar dan is men “er in gedachten bezig mee” (Spit 384). Ter vergelijking beschrijft Wordsworth zijn schrijverschap als volgt in zijn Introduction to Lyrical Ballads:


a man pleased with his own passions and volitions, and who rejoices more than other men in the spirit of life that is in him; delighting to contemplate similar volitions and passions as manifested in the goings-on of the Universe, and habitually impelled to create them where he does not find them. (Wordsworth Preface 6)


Net zoals voor Spit is de schrijver “impelled” om te creëren. Hoewel dat amper vrijheid lijkt te geven, komt deze vrijheid door een ontsnapping aan de werkelijkheid. In Spits geval helpt schrijven haar om een buitenstander te worden, die “boven [haar] lichaam hang[t]” (Spit 348) net zoals alcohol haar moeder helpt om haar “bewustzijn” te verlaten (Spit 347). Dit is trouwens ook wat Shelley beschrijft wanneer hij spreekt over “making the familiar unfamiliar”:


[Poetry] awakens and enlarges the mind itself by rendering it the receptacle of a thousand unapprehended combinations of thought. Poetry lifts the veil from the hidden beauty of the world, and makes familiar objects be as if they were not familiar; it reproduces all that it represents, and the impersonations clothed in its Elysian light stand thenceforward in the minds of those who have once contemplated them, as memorials of that gentle and exalted content which extends itself over all thoughts and actions with which it coexists. 


Het gewone wordt uit een andere invalshoek benaderd en dat brengt “pleasure” in het alledaagse:


For there is a certain order or rhythm belonging to each of these classes of mimetic representation, from which the hearer and the spectator receive an intenser and purer pleasure than from any other: the sense of an approximation to this order has been called taste by modern writers.


Het is dus niet zozeer een letterlijke ontsnapping, maar eerder een herstelde versie van de realiteit. Opnieuw kan dit vergeleken worden met Autobiografie van Mijn Lichaam. De pijnlijke en moeilijke relatie tussen de verteller en haar lichaam/moeder wordt dankzij de pen herontdekt en verwerkt met woorden: “blijkbaar sterven sommige mensen lelijk [...] maar jij niet” (Spit 388).



Volgens de Belgische auteur is schrijven een “betere manier om met de realiteit om te gaan” (Spit 349). Het gaat erom taferelen te beschrijven (Spit 348), om de werkelijkheid op haar eigen subjectieve manier te beschrijven. Met andere woorden is het boek een autofictie. Opnieuw is het heel vergelijkbaar met wat Wordsworth beschrijft. Voor hem begint alles ook met “from passion excited by real events[.]” (Wordsworth Preface 15) Alles begint met echte gebeurtenissen die emoties veroorzaken. Toch zijn poëtische uitdrukkingen niet alleen realistisch, maar ook subjectief: “modified and directed by our thoughts[.]” (Wordsworth Preface 3) De “drijfveer” (Spit 350) bevindt zich in de waarneembare wereld, maar de bedoeling van schrijven is juist dat “ordinary things should be presented to the mind in an unusual aspect” (Wordsworth Preface 2).

De verslaving aan schrijven hangt samen met het feit dat het een “spontaneous overflow” van gevoelens is. Het is “allesoverheersend” (Spit 349). Spontaniteit verwijst naar het hier en nu dat onontkoombaar wordt. Emoties dienen zich aan en moeten geschreven worden en later “in tranquility” herwerkt. Of in Spits woorden wanneer haar moeder weer “nuchter” is (Spit 348).


Bovendien bestaat er een verband tussen de verbeelding en kindertijd. Volgens Wordsworth is het “in childhood […] more conspicuous” (The Prelude Book Ten: 276/277). Opnieuw komt dat idee terug in Autobiografie van mijn Lichaam aangezien Spit in haar kindertijd begon te schrijven. Het boek bevat inderdaad veel van wat ik noem “dagboekpassages”:

2-4

Sorry, in de examens kon ik niet schrijven dan was ik te moe. Vrijdag was het rapport: 81%! Ps: morgen vertrekt Tiny, ik zal haar missen. (Spit 242)


Ter conclusie kan vastgesteld worden dat het schrijfproces van Lize Spit en Romantici zoals William Wordsworth of P.B. Shelley gemeenschappelijke kenmerken deelt. Ze ervaren het als een onvermijdelijke daad die de werkelijkheid herschrijft en daardoor een zekere ontsnapping biedt. Toch moeten ze verankerd zijn in deze werkelijkheid om die daarna te herschrijven. Omdat er geen bronnen zijn van een mogelijke invloed van Romantici op Spit is het waarschijnlijk dat deze gelijkenissen uit samenloop eerder dan invloed resulteren. Dit artikel toont dus aan dat Romantische opvattingen over creativiteit, verbeelding en emoties nog bruikbaar zijn in hedendaagse fictie. Verder suggereert het dat British Romanticism een relevante interpretatie kader blijft voor Nederlandstalige schrijvers. Het zou in dat opzicht relevant en interessant zijn om na te kijken of Spits andere boeken ook neoromantische kenmerken vertonen.

 

  

Bibliografie:

Shelley, Percy Bysshe. “A Defence of Poetry”. Percy Bysshe Shelley: The Major Works. Oxford University Press, 2009.

Spit, Lize. Autobiografie van Mijn Lichaam. Das Mag Uitgevers, 2024.

Wordsworth, William. Selected Poems. Penguin Books, 2005.

 


 
 
 

Comments


bottom of page