(Dutch) God en de Verteller in De Procedure en “Titaantjes”
- liammagin133
- Nov 10, 2025
- 5 min read
Updated: Nov 11, 2025
Vandaag richt deze artikel zich op de analyse van De Procedure van Harry Mulisch en in het bijzonder hoe de auteur de vergelijking tussen verteller en God verwerkt. Het blijkt dat de verteller zijn plek in de literaire wereld dankzij de lezer krijgt, waardoor de lezer dus Godachtig is. Maar aan de andere kant is het tegenovergestelde, dat de verteller een God is, ook aanvaardbaar. Vervolgens bespreekt deze artikel het verband tussen God en verteller en hoe het kortverhaal “Titaantjes” van Nescio en dit verkent. Vandaag richt deze artikel zich op de analyse van De Procedure van Harry Mulisch en in het bijzonder hoe de auteur de vergelijking tussen verteller en God verwerkt. Het blijkt dat de verteller zijn plek in de literaire wereld dankzij de lezer krijgt, waardoor de lezer dus Godachtig is. Maar aan de andere kant is het tegenovergestelde, dat de verteller een God is, ook aanvaardbaar. Vervolgens bespreekt deze artikel het verband tussen God en verteller en hoe het kortverhaal “Titaantjes” van Nescio en dit verkent.
De Procedure gaat over het scheppen van Mensen en daar kan een vergelijking worden gemaakt met een verteller en zijn/haar lezer. In het tweede hoofdstuk, ‘het personage’ spreekt de verteller de lezer aan, maar weet dat het een eenrichtingsgesprek is. Hij zegt inderdaad de volgende: “ik zie je niet (...) het is alsof ik een willekeurig telefoonnummer heb gedraaid” (16). Met zo een gedrag geeft de verteller de indruk dat hij, zoals een gelovige, God aanspreekt. Wie nu God probeert te bereiken moet op geen direct antwoord wachten want die zal niet, tenminste op een directe, tastbare manier, komen. Natuurlijk moet men een onderscheid maken tussen schrijver en verteller, maar deze kan hier opzij worden geplaatst. De lezer is degene die beoordeelt en dankzij wie een schrijver en dus zijn verteller(s) hun succes en daardoor hun leven in de literaire wereld hebben. Zonder te worden gelezen, bestaat het verhaal van de verteller niet en de vertelinstantie overleeft dan niet. Met andere woorden is het alleen maar dankzij de lezer dat de verteller leeft. De verhouding tussen schrijver en lezer is in dat opzicht, in het literaire veld van Bourdieu, dezelfde als die tussen God en mensen met mens als God.

Maar toch is de verteller in zekere zin ook een God. Het klinkt misschien paradoxaal maar het boek duidt het ook aan. Nog in het tweede hoofdstuk duikt Mulischs verteller de literaire wereld in. Hij begint met de bewering dat ook de schepping van God van “linguïstische aard is” (16). Vervolgens bespreekt hij het ‘realisme’ van Flaubert volgens wie de verteller zoveel mogelijk afwezig moest zijn. “Maar dat [realistisch] was het nu juist niet” (19) zegt de eerste verteller van De Procedure. De verteller bepaalt in alle gevallen wat gebeurt, net zoals God volgens de gelovigen alles bepaalt. De literatuur moest dus “de illusie opgeven, dat zij een waarheidsgetrouw beeld kon leveren van bestaande werkelijkheid” (20). En dit klinkt helemaal logisch, elke werkelijkheid heeft zijn regels en dus zijn God zoals onze wereld voor sommigen zijn eigen God heeft. Volgens velen is het juist deze God die zelfs de kleine gebeurtenissen bepaalt en er is geen reden om dit vanuit de literaire wereld te trekken. Nu, of God echt bestaat blijft onbewezen maar men kan niet ontkennen dat hij/zij in de literaire wereld wel bestaat onder de vorm van de alwetende verteller. De alwetende verteller is dus een god en deze vertelinstantie is, in tegenstelling tot wat Flaubert zei, niet onrealistisch voor wie in een hogere instantie gelooft. Voor wie niet gelovig is dan mag de alwetende verteller een soort “personificatie van de toeval” zijn, een veelvoorkomend literair motief dat de lezer toegang geeft tot de sleutels van het verhaal en hem daardoor helpt om dat te begrijpen. In dit geval heeft dan Flaubert gelijk, het steekt inderdaad de grenzen van het realisme over. Maar onafhankelijk van het realisme van de alwetende verteller blijft deze in beide gevallen een alles bepalende figuur. Kortom, God voor sommigen en het lot of toeval voor anderen. Of anders gezegd: “hij bestaat inderdaad niet, terwijl tegelijk natuurlijk bestaat” (20).
Dit laatste citaat klinkt, moet ik toegeven, heel Reviaans. En dit artikel gaat zich nu focussen niet op Gerard Reve, maar op een schrijver die voor hem een inspiratiebron is geweest: Nescio. (“ik voltooi [...] geen bladzij, zonder dat ik ten minste een keer aan Nescio heb gedacht” zei de auteur van De Avonden). Waarom Nescio? Omdat hij de parallel tussen verteller en God ook heeft behandeld. Dit doet hij in “Titaantjes”. Het kortverhaal speelt zich af in Amsterdam waar een groep jonge mensen (Bavink, Hoyer, Bekker, Kees en Koekebakker) een gevoel van aliënatie ervaren: “Alle andere mensen waren “ze” [...] die niets snapten en niets zagen” (49). Integendeel, voelt de verteller (Koekebakker) dat zij toen “uitverkorenen Gods” waren (49). Maar jammer genoeg is hun leven mislukt en ze hebben de burgerlijke leefstijl die ze haatten, moeten adopteren. Hoyer, de schilder, is een “business schilder” geworden, Bekker is een zakenman in Duitsland, Kees Ploeger werkt in een gasfabriek en Koekebakker is een journalist. Bavink, die nu geestelijk ziek is, woont in een gesticht. Maar toch is er in de verteller dit gevoel van godheid ten opzichte van zijn verhaal. “God leeft in mijn hoofd” (68) zegt hij. Alles, de wereld die hij ziet, speelt zich af in zijn hoofd: “de velden zijn er onmetelijk [..] tuinen staan er vol schoone bloemen [...] en de zon gaat erop en onder” (68). Op een zeer Romantische wijze, die aan William Wordsworths oeuvre doet denken, maakt hij zelf een wereld dankzij zijn eigen persoonlijke geest en door zijn zintuigen die de wereld anders maken: “alles bestaat omdat ik het zo verkies te denken” (68). En opnieuw, in de fictionele wereld, bestaat het verhaal van deze vijf jongeren omdat hij, de verteller, het heeft besloten. Koekebakker is dus de schepper en God van hun gelaat, maar Nescio lijkt geen monotheïstische literaire wereld te bedenken. Aan het einde komt er een nieuwe verteller die zegt dat het hem “spijt” dat hij die “heren moet laten gedijen” (82) maar dat hij ook “maar God” is. Deze laatste woorden duiden op Nescio zelfs, de echte God van het verhaal, die letterlijk beslist wat erin gebeurt, of niet. Er is dus een zekere spanning tussen de personages en de fictionele schrijver. De idealistische groep wilden hun dromen voltooien, maar Nescio heeft het niet zo besloten.
Deze korte analyse van Harry Mulischs De Procedure en Nescios “Titaantjes” laat zien dat de relatie tussen lezer, schrijver, verteller continu balanceert tussen afhankelijkheid en almacht. Enerzijds bestaat de verteller enkel dankzij de lezer, die hem een plek in de literaire wereld schenkt en daardoor een goddelijke rol inneemt. Maar aan de andere kant oefent de verteller een fictionele macht die het de rol van literaire schepper toedicht, net zoals Koekebakker het leven uit zijn eigen hoofd laat ontstaan. Beide auteurs verwerken dus een literaire paradox volgens welke verschillende Goden tegelijk bestaan: de lezer, de verteller, en natuurlijk de schrijver.
(hier is een pdf versie van mijn artikel):
Bibliografie:
Mulisch, Harry. De Procedure: Roman. De Bezige Bij, 2001.
Nescio. De Uitvreter ; Titaantjes ; Dichtertje ; Mene Tekel. Nijgh & Van Ditmar, 2021.
© Liam Magin. All Rights Reserved. This work is the intellectual property of the author. Do not copy or redistribute without permission.



Comments